Op het landgoed Seldensate is een wandelroute uitgezet die te herkennen is aan de paaltjes met een gele band eromheen. De wandeling begint op de binnenplaats van het poortgebouw en gaat daar linksaf. Sommige routepaaltjes zijn genummerd en verwijzen naar de beschrijvingen in de wandelwijzer. Deze wil informatie verschaffen over de geschiedenis, flora en fauna van Seldensate. U wordt verzocht op het pad te blijven en geen schade toe te brengen aan gebouwen en beplantingen. Honden moeten aan de lijn en rommel in de afvalbakken. Het moet voor zich spreken dat rust en geduld de wandeling kunnen veraangenamen. Een genoeglijke wandeling toegewenst.
1. Omgeven door een gracht liggen er gerestaureerde fundamenten van het kasteel, zoals het rond 1900 herbouwd is geweest. Ten zuiden ervan ligt het poortgebouw, dat in 1980 slechts gedeeltelijk opgeknapt werd. Naar het westen gekeerd liggen er de resten van een tennisbaan, omringd door verwaarloosd parkbos. Enkele zeer oude bomen getuigen nog van een rijk verleden. Hoog op de stam zijn nummers aangebracht, welke verwijzen naar de volgende naamaanduiding:
1 Tame kastanje, 2 paarden (wilde) kastanje, 3 tulpenboom, 4 esdoorn, 5 beuk, 6 inlandse eik, 7 Amerikaanse eik, 8 berk, 9 linde.
Aan het einde van de doorgroeide bejaarde beukenhaag, welke leidde naar de moestuinen en boomgaard, staat links van het wandelpad een fraaie ginkgo, ofwel Japanse notenboom (nummer 10). Een boom soort die reeds in de oertijd voorkwam, maar waarvan men dacht dat deze reeds uitgestorven was, totdat in oude Chinese tempel en paleistuinen er enkele terug gevonden werden. Doordat het parkbos niet onderhouden is, verkeren de meeste bomen in een minder florisante toestand. Tussen de bomen is vaak het opvallende geluid van de holen duif te horen en ook vinken laten er zich niet onbetuigd.
2. Dit gedeelte van het wandelpad is een van de laatst overgebleven voetpaden vanuit de Meijerij naar 's-Hertogenbosch. Komende vanuit de omgeving van Veghel kon men in voorbije decennia naar de Brabantse hoofdstad lopen. Eeuwenlang is het pad als zodanig op kaarten aangegeven. De eikenbomen zijn aan het begin van deze eeuw opnieuw aangeplant. Naar het oosten kijkend ligt een restant van een oude hoogstamboorngaard, omringd door hagen van beuk, meidoorn en sleedoorn. Gelukkig zijn er vergevorderde planten tot herinrichting met oude boomrassen. In het struikgewas vinden veel kleinere zangvogels een nestplaatsje, zoals zwartkop, fitis, braamsluiper, heggenmus en tuinfluiter.
Langs het pad staat veel opschot van braam, vuilboom, krentenboom, lijsterbes, eis en wilg. De braamstruiken breiden zich ook hier sterk uit. Door aanplant van taxus en hulst wordt geprobeerd een buffer te vormen tegen overlast van de verkeersweg. In de sloten treffen we nog hoornblad, gele lis en bitterzoet aan.
3. Het pad gaat nu langs een gedeelte van de rivier de Aa, welke door de normalisering in 1935 van de hoofd stroom werd afgesloten. Het meest linkse gedeelte heet Krommewiel en vormde aldoor de noordgrens van het landgoed. Waterpartijen, oevers en draslanden bezitten een zeer gevarieerde plantengroei zoals waterlelie, grote egelskop, engelwortel, moerasandoorn, watermunt, pijptorkruid, waterzuring, berenklauw en wilde bertram.
Waterhoentje, reiger, wilde eend en dodaars komen er graag. Ofschoon het water erg onder druk staat van agrarische vervuiling is het nog rijk aan insekten en vissoorten. Daarom is de jeugd er vaak met hengel en schepnetje te vinden. Vooral naar de rivierkant toe zijn veel struiken en bomen overwoekerd door ranken van de hop en de kamperfoelie en ook klimop zoekt een steuntje om hogerop te komen. Hier staat ook veel wilde framboos en wilde kers.
4. De rivier de Aa laat bij hoge waterstand veel meststoffen achter op de oevers, waardoor er steeds meer grote brandnetels voorkomen en andere planten verdrongen worden. Hondsdraf, hennepnetel, stinkende gouwe en dagkoekoeksbloem komen nog talrijk voor. Het pad loopt over een smalle ophoging tussen rivier en weiland. Er staan veel struiken van meidoorn en hazelaar. Enorme populieren hebben zwaar te lijden van hun ouderdom en kunnen menige storm nauwelijks aan. Vanaf zo'n hoge zit bespiedt de torenvalk de omgeving. In de winter zwemmen in de Aa de wintertalingen en kuifeenden en komen met de spreeuwen en kauwen talloze koperwieken en kramsvogels voedsel zoeken op het weiland. Dit is in gebruik gegeven bij een veehouder, welke verplicht is het grasland slechts met mate te bemesten, teneinde tussen het gras meer planten terug te krijgen. In het midden ligt een heringerichte drinkpoel, omgeven door een struweel waarin ook kornoelje, kardinaalsmuts en Gelderse roos voorkomen.
5. Het lijkt of het landgoed hier niets te bieden heeft. Maar in de herfst groeien er volop paddenstoelen en 's winters willen mossen graag gezien worden. Paddenstoelen en mossen zijn zelfs voor een kenner moeilijk op naam te brengen. Hun levenswijze is omgeven door geheimzinnigheid, want deze twee soorten (lagere) planten tonen hun 'bloemen' als de andere(hogere) planten al aan de rustperiode begonnen zijn. Misschien kunnen tekeningen de eigenaardigheden een beetje verduidelijken. In dit deel van Seldensate zijn de grote bonte specht en de boomkruiper regelmatig te horen. Zij houden van oud timmer en peutergeboomte. Ook groepjes kauwen, kraaien en eksters zitten vaak in de bomenrij te rusten.
6. Naar het poortgebouw speurend ligt in het gezichtsveld een vreemde berg tussen de bomen. Het is een van de laatste ijskelders in Nederland, rond 1900 gebouwd op de plaats waar een boerenhoeve gestaan heeft. In de winter zaagde het huis personeel van de kasteelbewoners grote blokken ijs uit de grachten, die werden opgeslagen in deze natuurlijke koelkast.
Vanwege de constante lage temperatuur in de ijskelder konden ijsblokken tot ver in de zomer goed bewaard blijven. Na vele jaren van misbruik kan deze kelder niet meer betreden worden en kunnen slechts vleermuizen er een rustplaats vinden. Opvallend in de nabijheid van de ijs kelder is de aanwezigheid van pollen Chinees riet en aan de overkant van het water staat massaal Japanse duizendknoop. Tussen de takken laat de ransuil zich wel eens zien, maar kerkuil en bosuil laten zich niet meer waarnemen. Voor de kerkuil is in de toren van het poortgebouw een kunstnest geplaatst, maar tot nu toe onbewoond gebleven. In het voorjaar klinkt hier alom de opvallende roep van de boomklever en zelfs de wielewaal en koekoek doen van zich spreken. Uiteraard zijn de oude bomen een lustoord voor de vele peutergrage mezen. Vooral in de koude tijd van het jaar zwerven ook staartmezen en sijsjes door de elzen en berken.
7. Bij het bruggetje is goed te zien hoe verschillend de boomaanplant kan uit groeien. Het beukenbosje rechts is kenmerkend open en bloot, de stammen glad en de bodem kaal. Daarentegen heeft het eikenbosje aan de overkant van de oprijlaan een dichte struiklaag met op de bodem vooral klimop. De stammen zijn diep gegroefd en er is een dikke strooisellaag. Hierin komen vele soorten opruimers voor van slakken, pissebedden, kevers, wormen, duizendpoten, muizen en paddestoelen tot en met de minder zichtbare schimmels, bacteriën, friemelpoters en sluipkruipers. Deze onmisbare afvalopruimers en afbrekers van de natuur zijn weer het lievelingskostje van muizen, egels, wezels en talloze vogels. En die op hun beurt …
Tussen de vele struiken van vlier, esdoorn en krentenboom treffen we ook wilde kers, aalbes en framboos aan. De bosplaaggeest Amerikaanse vogelkers wordt elk jaar verwijderd.
|